Tekstgrootte  [-][+]
Jaarverslag 2016
Tarieven voor gespreksafgifte

Tarieven voor gespreksafgifte

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in september 2016 antwoord gegeven op vragen die het CBb had gesteld over de vraag in hoeverre de nationale rechter gebonden is aan een Aanbeveling van de Europese Commissie.

Achtergrond

De telefoonaanbieder van de persoon die wordt gebeld, vraagt voor het gebruik van zijn netwerk een vergoeding aan de aanbieder van de klant die belt. Die vergoeding heet het afgiftetarief. De ACM heeft in zijn marktanalysebesluit afgiftetarieven vastgesteld conform een Aanbeveling van de Europese Commissie. KPN, T-Mobile en Vodafone verzetten zich hiertegen in beroep. Zij denken dat door het volgen van de Aanbeveling de afgiftetarieven te laag zijn vastgesteld. Bij het CBb rijst daarom de vraag welke betekenis een Aanbeveling van de Europese Commissie voor de ACM en de nationale rechter heeft. Een Aanbeveling is formeel gezien geen bindend instrument.

Vragen aan het Hof van Justitie

Het CBb heeft daarop om uitleg gevraagd aan het Hof. Centraal staat de vraag of het de rechter is toegestaan om van een Aanbeveling van de Europese Commissie af te wijken, terwijl de toezichthouder heeft geoordeeld dat het volgen van de Aanbeveling het beste aansluit op de Nederlandse markt.

Het Hof heeft in antwoord op de vragen van het CBb geoordeeld dat er voor de nationale rechter een zekere ruimte is om een eigen beoordeling te geven. Hij mag beoordelen of de verplichting evenredig is aan de doelstellingen van het Regelgevend Kader. De nationale rechter mag slechts afwijken van de Aanbeveling als hij van oordeel is dat de specifieke kenmerken van de markt van de betrokken lidstaat dat vereisen. De nationale rechter mag een Aanbeveling dus niet zomaar opzij schuiven.

In januari 2017 heeft een vervolgzitting bij het CBb plaatsgevonden over de gevolgen van de uitspraak van het Hof plaatsgevonden. Het eindoordeel van het CBb verwachten we in de loop van 2017.