Tekstgrootte  [-][+]
Jaarverslag 2017
Gebruik verzamelde gegevens

Gebruik verzamelde gegevens

In deze zaak ging het over de vraag of gegevens die tijdens een bedrijfsbezoek zijn verzameld door de ACM ook gebruikt mogen worden voor andere (lopende) procedures. Een onderneming verzocht de voorzieningenrechter om de ACM te verbieden gegevens die waren aangetroffen tijdens een bedrijfsbezoek in een andere procedure te gebruiken. Dit gebruik (het transport van de gegevens) was volgens de onderneming niet noodzakelijk en daarmee in strijd met het noodzakelijkheidsvereiste uit de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (Iw).

De voorzieningenrechter heeft zonder zitting het verzoek van de onderneming afgewezen. Het toevoegen van dossiergegevens aan een ander lopend onderzoek is volgens de voorzieningenrechter een feitelijke handeling zonder rechtsgevolg. Er vindt geen wijziging in de rechten en verplichtingen van de onderneming plaats. Dit betekent dat de overdracht en het gebruik van de gegevens dient plaats te vinden binnen het kader van het besluit waarin deze zijn gebruikt. Bij de rechterlijke beoordeling van die besluiten hoort ook de vraag thuis of de gegevens mochten worden gebruikt en of voldaan is aan het noodzakelijkheidsvereiste. De noodzakelijkheid voor het gebruik van de gegevens wordt dus niet vooraf, maar achteraf door de rechter getoetst.

In lijn met de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft ook de voorzieningenrechter van het CBb beslist over de rechtsgang/rechtsbescherming tegen het (her)gebruiken van gegevens uit een bedrijfsbezoek. De voorzieningenrechter van het CBb, zij het op een andere grondslag (art. 8:29 Awb) dan artikel 7 Iw, oordeelt dat rechtsbescherming achteraf voldoende waarborgen biedt tegen het transporteren/gebruiken van gegevens voor andere besluiten.

Beide voorzieningenrechters blokkeren met hun uitspraak een voorafgaande, afzonderlijke rechtsgang en een toetsing van enkel het transporteren en gebruiken van gegevens bij de bestuursrechter. Mogelijk is er wel nog de weg van de civiele kortgedingrechter tegen de feitelijke handeling van overdracht.

Met de verduidelijking van de rechtsgang, is er verder nog niets gezegd over de materiële beoordeling, te weten de vraag of het overhevelen rechtmatig was (voldoet aan het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 7 Iw), en er mogelijk reden is voor een uitsluiting van de betreffende stukken als bewijs. Daarover zal in de bodemprocedures achteraf door het CBb worden geoordeeld.